Lezen: fragmenten uit De toevalstreffer en Kroonsz

 

De toevalstreffer

Mijn nieuwe boek – werktitel De toevalstreffer – gaat over een jongen die per ongeluk zijn beste vriend doodt. Het boek is nog niet af. Hieronder een fragment uit het begin van het verhaal…

Nu het een en ander over die ene avond met Mega Jimmy, een paar weken voor HET gebeurde. Het was tenslotte Jimmy die ons op het idee bracht. Mij op een idee bracht. Oorzaken komen vaak uit onverwachte hoek.

Mees en ik zaten in het struikgewas aan de rand van het Veld. Op een open plekje waar niemand ons kon zien. Snoeppapiertjes, lege drinkpakjes en andere rotzooi overal in de struiken. We hadden een mooi vuurtje gebouwd: een cirkel van keien met daartussen, als de spaken van een wiel, strakke blokjes haardhout (gejat uit een van de tuinen verderop). Likkende vlammen, oranje, geel en rood. Geen kringeltje rook. We voelden ons te groot om fikkie te stoken, maar we deden het toch. Soort van jeugdsentiment. Toen al.

Het was zo’n perfecte voorjaarsavond, warm en bladstil, met een lage zon die door het jonge groen scheen. We voelden ons al heel wat, maar waren nog zo onschuldig als fopspeentjes. Want wat weet je nou als je net zestien bent? Als je nog nooit iets heftigers hebt meegemaakt dan een hamster met een glutenallergie? Niets toch?

Inderdaad.

En daar zouden we snel achter komen.

We zeiden niet veel. We keken in de vlammen en luisterden naar de geluiden die ons vanaf het Veld bereikten: de onmiskenbare soundtrack van een amateur-voetbalwedstrijd.

De schemering viel in en we hadden het over een game waaraan we in die tijd al niet meer echt verslaafd waren. We speelden het nog af en toe, maar een beetje met onze middelvinger omhoog. Ook voor die game waren we eigenlijk te oud. Toen de zoveelste uitbreiding uitkwam, hadden we ineens gezien hoe commercieel de hele boel was. Ze hadden die panda’s alleen maar toegevoegd om hun digitale zwikkie ook in Azië verkoopbaar te maken. Gejat van die ouwe films over Kung Fu Panda. Terwijl de echte panda’s ondertussen gewoon doorgingen met uitsterven. Maar goed, daar gaat het nu allemaal niet om. We zaten bijna als twee ouwelullen te mompelen dat vroeger de games beter waren, toen er plots vlakbij ‘Bullshit!’ geroepen werd.

Er klonk geritsel tussen de struiken en opnieuw klonk het: ‘Slappe bullshit!’

We herkenden de stem. Mees keek me aan met een blik die ‘Fuck!’ betekende.

Ik knikte.

Het was Mega Jimmy. Als er iemand was waar we op dat moment geen zin in hadden was het Mega Jimmy.

Hijgend duwde hij zijn scooter tussen de struiken door de open plek op. Met een spottende grijns keek hij naar ons. Het licht van de vlammen weerkaatste in zijn ogen en versterkte de onnozele uitstraling die hem reeds bij zijn geboorte ten deel was gevallen. Zweet parelde op zijn voorhoofd.

Nu moet ik je eerst iets meer over Mega Jimmy vertellen, anders snap je het niet. Jimmy was een van de bekendste meubelstukken van ons buurtje. Hij was een paar jaar ouder dan wij, een jaar of achttien, negentien, misschien nog wel ouder. Mega Jimmy werd niet ‘Mega’ genoemd omdat hij zo geweldig of groot was, (al kon je hem van obesitas verdenken), maar omdat hij altijd aan alle meisjes vroeg: ‘Hé, ga je mee?’ Dan keek zo’n meisje hem minachtend aan, of ze lachte hem uit, en dan glimlachte Jimmy tevreden en peddelde blijmoedig verder. Dat peddelen was zijn tweede grote ding: hij had een scooter, maar daar zat geen motor in. Jimmy peddelde op dat ding rond door de buurt alsof hij op een loopfiets zat.

‘Het is wél een echte Piaggio Zip 2000 ST!’ riep hij als iemand hem naar zijn zin iets te kritisch opnam. ‘Met nog geen tienduizend op het klokje! Kom daar nog maar eens om tegenwoordig.’ Het ouderwetse taalgebruik kwam van zijn oude opa, bij wie hij woonde, sinds zijn ouders jaren eerder straalbezopen de plomp in waren gereden om pas de volgende ochtend bleekblauw te worden opgevist.

Uiteindelijk koos Jimmy altijd ergens op een straathoek positie om daar vervolgens urenlang te staan, met een broeierige blik in zijn ogen, hangend op zijn scooter. En om met iedereen te ouwehoeren. Negeren of wegsturen kon je hem niet, want het was een van de stilzwijgende wetten in de buurt dat iedereen vriendelijk was voor Jimmy, want hij had al genoeg meegemaakt.

Mega Jimmy dus. Daar stond hij. Hijgend en zwetend. ‘Gamen is flauwekul,’ zei hij gewichtig. ‘Het is niet écht… Ik bedoel, het is allemaal maar verzonnen!’ Hij zweeg en keek ons aan, om zich ervan te overtuigen dat de duizelingwekkende diepte van zijn inzicht goed tot ons doordrong.

‘Nee, dan… Wat hier in de oorlog gebeurde, dát was echt.’ Hij gebaarde om zich heen. ‘Hier, gewoon op het Veld! M’n opa heeft me er alles over verteld. En die kan het weten, want hij was erbij. Het heet hier niet voor niet Plein 40-45.’ Jimmy duwde zijn scooter voorzichtig tussen het vuur en Mees door naar de andere kant van de open plek. ‘Ik zet even mijn scooter in de schuur. Dan kom ik terug om jullie alles te vertellen. Want het is me een geschiedenis! Nou, nou, nou.’ Hij duwde zijn scooter tussen de struiken door, in de richting van het pad dat naar de achtertuinen liep die aan het Veld grensden. We hoorden hem nog ‘Doden…’ mompelen, ‘Echte doden vielen er toen. Tering!’ en daarna werd hij opgeslokt door het duister.

‘Broem, broem,’ fluisterde Mees.

Ik knikte instemmend.

Zwijgend luisterden we hoe even verderop een tuindeur luidruchtig geopend werd, waarna gestommel klonk, gemompel en nog meer openen en sluiten van deuren. Niet veel later hoorden we geritsel en diepe zuchten en stapte Jimmy opnieuw de lichtkring van ons vuurtje binnen. In zijn ene hand droeg hij een sixpack bier en een gezinszak chips. Met zijn andere hand hield hij een enorme, verbleekte tuinkabouter bij de puntmuts vast.

Hij hief de kabouter trots omhoog alsof het een vis was die hij net gevangen had, en pleurde hem toen in de vlammen. Een fontein van vonken steeg op. Ons zorgvuldig opgebouwde vuurtje lag aan barrels.

‘Plastic!’ Jimmy grinnikte tevreden. ‘Veel beter dan hout. Fikt als de tering. Dat beest lag al jaren te schimmelen naast de vijver.’

De olijke tuindecoratie begon direct te roken, en niet alleen uit het pijpje in zijn mondhoek. Jimmy nam zuchtend plaats bij het vuur, scheurde de zak chips open en graaide erin. Hij propte een handvol chips in zijn mond en begon te kauwen. Als het een wedstrijd was geweest tussen Jimmy en zijn kabouter: Wie Stinkt Het Meest? Dan had Jimmy met zijn kaas-met-uienchips glorieus gewonnen. Meedogenloos walmde de geur van de vettige aardappelversnapering boven het aroma van de aan de vlammen geofferde sprookjesfiguur uit. Jimmy gaf de zak chips door aan mij, trok een blikje open en liet het bier schuimend naar binnen stromen. Een deel van het verkwikkend gerstenat droop langs zijn kin in zijn nek. (Mijn leraar Nederlands, dhr. J. Steketee, beweert dat een verhaal prettiger leest als de schrijver niet steeds dezelfde woorden gebruikt. Dat heb ik hierboven gedaan. Hij zal trots op me zijn.)

‘Oooh…’ klonk het vergenoegd, ‘wat had ik een honger, man.’ Jimmy keek plots heel serieus. ‘Dat hadden ze niet in de hongerwinter, hè? Een chippie en een biertje. Shit, shit, shit. Eigenlijk kun je het niet maken om zoiets te zeggen. Niet eerbiedig. Opa zou zijn hoofd schudden.’ Hij boerde, veegde schuim en kruimels van zijn kin en leunde naar voren.

De vlammen begonnen het gezicht van de tuinkabouter weg te vreten. Een oog droop klodderig naar beneden, terwijl de neus vlamvatte. Valse groene en blauwe vlammetjes sloegen van het jasje en de puntmuts af. Gefascineerd keken we toe: de wereld van ‘ze leefden nog lang en gelukkig’ veranderde voor onze ogen in die van de goedkope horror die een realistischer beeld van de werkelijkheid geeft. (Ik geef toe dat ik dat laatste nu pas begrijp).

Anyway…’ ging Jimmy verder. ‘Jullie weten toch wel dat hier een gebouw van de moffen stond in de oorlog? Een oud klooster dat ze hadden ingepikt?’

We knikten. Het klooster was aan het einde van de oorlog afgebrand en nadat de ruïne was afgebroken had de gemeente besloten er niets voor in de plaats te bouwen. Zo was Het Veld ontstaan.

Kabouter Plop siste en knetterde. Het vuur laaide giftig op. Een kolom zwarte rook steeg recht omhoog de schemering in. Mees schuifelde achteruit, bij de hitte vandaan. Ik baalde van de rook. Iedereen kon nu zien wat er hier gebeurde en voor je het wist kwam er iemand zaniken dat vuur maken verboden was op Het Veld.

‘Zie je nou dat plastic veel beter is dan hout?’

Ik knikte onwillig.

‘Goed zo!’ zei Jimmy. ‘Maar anyway, mijn opa was toen nog maar tien of zo, maar hij heeft het zelf gezien.’

‘Wat dan?’ Ik werd ongeduldig: ik kon niet wachten tot Jimmy klaar zou zijn en zou vertrekken, al wist ik wel dat Jimmy niet meer zou vertrekken, niet voor al zijn blikjes leeg waren.

Jimmy beantwoordde mijn vraag met een vette, alwetende glimlach. ‘Dát is precies wat ik je nu ga vertellen! Mijn opa zag hoe een jongen uit de buurt een van die rotmoffen doodschoot met alleen maar een kogel. Zonder geweer of niks! Zonder pistool! Frank heette hij, zei mijn opa. Gewoon Frank. Heel jong nog, gewoon een jaar of vijftien. Die Frank had een ongebruikte patroon gevonden. Op straat of zo. Hij had een gat door een plankje geboord, waar die patroon precies in paste. Richten, plankje goed klemzetten… klap aan de achterkant met een hamer en péng! Daar ging de kogel. Precies raak. Dwars door die Duitse soldaat heen. Mijn opa was nog een jongetje en hij stond voor het raam van zijn slaapkamer. Die bomen hier waren er nog niet. Hij zag alles gebeuren. Ook dat die andere moffen daarna meteen naar buiten kwamen en die Frank pakten en hem doodschoten. Van dichtbij… Door zijn hoofd.’ Mega Jimmy knikte bedachtzaam, pakte een stok en porde ermee tegen het hoofd van de kabouter dat in een rokende, druipende klont was veranderd. Het hoofd sputterde, de vlammen laaiden op. ‘Ja, ja.’ Jimmy knikte somber. ‘Die Duitsers dat was me wat.’

Ik dacht aan de schoenendoos waarin mijn opa wat privéspullen bewaarde. Een doos in zijn cd-kast, half verscholen achter zijn leunstoel. Behalve opa’s Amerikaanse en Nederlandse paspoort en een stapeltje brieven zat er niet veel in. Een paar van die plastic driehoekjes die ze gebruiken om gitaar te spelen, een oude gitaarsnaar in een zakje, een verkalkte, ontkleurde schelp, en een ongebruikte patroon: een koperen patroon met een scherpe punt. Hoe vaak had ik het ding niet door mijn handen laten glijden, als opa er niet was en ik zijn spullen doorzocht, op zoek naar geheimen.

‘Een held was het, die Frank!’ Mega Jimmy trok nog een blikje open en hield het omhoog. ‘Op Frank!’ zei hij. ‘Een held die stierf voor zijn idealen!’

 

 

 

Kroonsz

Kroonsz is horror en fantasy in een. Het verhaal speelt zich half in de zeventiende eeuw af en half in het nu.

Doctor Zacharias Kroonsz vindt een apparaat uit waarmee je je eigen sterfdatum kunt aflezen. Als hij erachter komt dat hij nog maar kort te leven heeft, komt hij in opstand tegen de natuurwetten die hij heeft ontdekt. In zijn paniek creëert hij een scheur in de werkelijkheid. Leidt dit gat naar de hel of ergens anders heen? Er klinken stemmen uit op, en het groeit. De zoon van Kroonsz is de enige die inziet dat er iets moet gebeuren. Maar pas in onze tijd, als alles volledig uit de hand dreigt te lopen, komt het tot een confrontatie…

ACHTER HET GORDIJN, SEPTEMBER 1670

 

‘Hier komt alleen maar ellende van, Zacharias!’ De predikant keek de dokter hoofdschuddend aan. ‘Je speelt met vuur. Je brengt niet alleen jezelf in gevaar, maar ook je gezin. Alleen de Heer weet wat voor krachten je oproept.’ Johannes van Lams- weerde stond op, een rijzige, magere man.

Wessel dook nog dieper weg in de hoek tussen de kast en het gordijn waar hij verscholen zat. Van Lamsweerde liep naar de deur, draaide zich toen weer om. ‘Beloof me dat je stopt met je experimenten, vóórdat de wrake Gods –’

Zacharias Kroonsz hief zijn handen in een gebaar van onmacht. ‘Ik ben arts! Het is mijn plícht om mensen te genezen. Dus ook om te proberen de dood te begrijpen…’

‘Alleen God bepaalt wie leeft en wie sterft!’ klonk Van Lamsweerdes stem scherp. ‘Niet jíj, Zacharias Kroonsz! De dood is Zijn domein. Wij stervelingen dienen ons daarbij neer te leggen.’

Wessels vader sprong op. ‘Maar ik wil leven en dood alleen maar begríjpen!’ riep hij uit. ‘Nieuwsgierigheid is geen zonde, toch?’

De mannen stonden tegenover elkaar als roofvogels die elkaar een prooi betwisten. Wessel kon hen beiden zien vanuit zijn schuilplaats: zijn vader met de diepliggende ogen en woeste zwarte kuif, en de grijze predikant met zijn scherp gesneden gelaat. Wessel bewonderde hen allebei. De predikant om de rust en strenge wijsheid die van hem uitgingen. Zijn vader om zijn durf en koppigheid, en om zijn tomeloosheid – al was hij om diezelfde eigenschappen soms ook bang van hem. De twee waren al jaren vrienden, wat was er aan de hand?

‘Ik heb je gezegd wat ik moest zeggen, Zacharias. Denk aan je gezin, je verantwoordelijkheden, je onsterfelijke ziel… aan de Here God… Weet dat ik dit als vriend tegen je zeg. We kennen elkaar langer dan vandaag. Tot gauw.’

Zacharias Kroonsz knikte stuurs en liep terug naar zijn werktafel.

Van Lamsweerde liep naar de deur. Wessel zag hoe hij zich daar nog één keer omdraaide. ‘Onthoud alsjeblieft dat er grenzen zijn. En voor sommige grenzen geldt dat als je ze eenmaal voorbij bent, er geen weg terug is… Zo heeft ook ieder mens zijn breekpunt. Eenmaal aan dat breekpunt voorbij is een terugkeer onmogelijk…’

Het bleef stil. Zacharias antwoordde niet.

‘En…’ ging de predikant met vermoeide stem verder, alsof hij het eigenlijk al opgegeven had. ‘We zijn niet zo sterk, Zacharias… De mens is een kwetsbaar wezen, fragiel en breekbaarder dan we zouden willen. Bescheidenheid siert ons…’ Zijn stem stierf weg.

Met een gemompeld ‘ja, ja, ja’ gaf de dokter aan dat wat hem betreft het gesprek voorbij was.

Even later klonk de voordeur.

Wessel hoopte dat zijn vader ook snel de kamer uit zou gaan, want hij kreeg kramp van het hurken. Maar hij hoorde papieren ritselen en even later het wrevelig krassen van een ganzenveer op papier. Zo stil mogelijk ging hij iets makkelijker zitten en dacht na over het gesprek dat hij zojuist gehoord had.

De afgelopen maanden was zijn vader in de weer geweest met vogels, ratten en muizen. Proefdieren die hij in kleine kooien op het plaatsje naast het achterhuis hield. Wessel had geen idee wat zijn vader met de dieren uitspookte. Hij had sowieso nooit veel belangstelling getoond voor de geneeskundige praktijk van zijn vader.

Om heel andere redenen zat Wessel verstopt in zijn vaders spreekkamer. Hij had bij Lykke willen zijn, hun dienstmeisje. Hij vond haar veel leuker dan eigenlijk zou mogen. Zijn ouders mochten er niets van weten, want het kon niet: een dokterszoon uit een gegoede familie met een arme immigrantendochter.

Toen ze vanmiddag stof ging afnemen in zijn vaders praktijk- kamer was hij haar achterna geslopen. Hij had haar geplaagd met haar huppelende Deense accent, om haar heen gedraaid in het gele licht van de nazomerzon, in de warme, eikenhouten schaduwen van de hoge kamer, terwijl zij probeerde te werken, of deed alsof. Ze had hem ontweken, niet serieus maar plagerig, en na wat gelach en een paar terloopse aanrakingen hadden zijn lippen plots dat ene plekje onder haar oor gevonden, bijna per ongeluk: het plekje waar haar zoete geur leek te ontspringen, waar zachte donshaartjes groeiden.

Snel was ze achteruit gestapt, een beetje geschrokken, en meteen weer naar voren en toen hadden haar lippen de zijne gevonden. Voor de eerste keer. Eindelijk, want ze hadden al vaker zo om elkaar heen gedraaid, voorzichtig, verlangend, maar tot nu toe weerhouden van meer.

Lykke had haar moeder opgevolgd in de huishouding toen die te ziek werd om nog langer voor de familie Kroonsz te werken. In de maanden voor ze bij hen in huis kwam had Wessel haar al een paar keer gezien, als ze langskwam voor een boodschap of haar moeder kwam ophalen. Toen al was ze hem opgevallen: hoge jukbeenderen, witblond haar, haar mond een tikje breed. Iets in haar lach had hem de kriebels gegeven, en ’s nachts had ze hem bezocht in zijn dromen. Toen hij op een dag in het vroege voorjaar gehaast vanuit de nog winterse kou naar binnen rende en bijna over haar struikelde in de bijkeuken, waar ze met opgestroopte mouwen en een hoogrode kleur op een krukje de was zat te doen, was hij verloren.

Met de rug van haar hand had ze een plukje haar dat onder haar kapje uit piekte opzij gestreken, en ze had naar hem geknikt en geglimlacht. Even was hij blijven staan, vlak bij haar, niet wetend wat hij moest doen of zeggen, net zo verlegen als zij.

De stoom, de geur van zeep, haar natte armen, de veter van haar hemd los, de blos die haar wangen en hals kleurde… Wessel voelde zich alsof hij haar naakt betrapt had terwijl ze een bad nam. Uiteindelijk had hij een groet gestameld en zich onhandig langs haar en de wastobbe gewurmd, met wild kloppend hart, een stomme grijns van oor tot oor op zijn gezicht.

De weken daarop was het steeds geweest of de aarde verging als hij Lykke tegenkwam. Zijn knieën begonnen te knikken, zijn hart bonsde en zijn mond werd zo droog dat hij geen woord meer over zijn lippen kreeg.

Omdat ze elkaar dagelijks zagen, was de verlegenheid na die eerste onhandige weken een klein beetje gesleten, en wat Wessel voelde was wederzijds, dat wist hij, dat merkte hij aan alles.

Wessel zat er niet mee, hun verschil in afkomst. Het interesseerde hem niet. Lykke werd in zijn ogen met de dag mooier en het enige waar hij naar verlangde, was haar aanraken, zich vooroverbuigen naar haar hals… zijn lippen en neus en wang daar bij haar warme, geurige haar, het zachte dons daaronder, waar haar oor zo mooi… en lager, haar sleutelbeen onder haar glanzende huid… en dan…

Voor Lykke lag het anders. Haar moeder was ziek, en zij moest voor haar zorgen. Als Wessels ouders ook maar iets vermoedden, kon ze haar baan kwijtraken.

Maar nu hadden ze elkaar voor het eerst gezoend. Toch.

Gehurkt naast die stomme kast in zijn vaders werkkamer voelde Wessel zijn lippen nog tintelen. In gedachten haalde hij het moment terug, hoe ze haar ogen gesloten had, hoe een laatste aarzeling heel even haar trekken had verstoord. En toen haar lippen vol en warm tegen de zijne, haar ogen zo dichtbij.

Op hetzelfde moment hadden ze voetstappen op de gang gehoord. Het was te laat geweest om de kamer te ontvluchten. Wessel had zich verstopt en Lykke was doorgegaan met het stoffen van de schouw, alsof er niets aan de hand was. Toen dokter Zacharias Kroonsz naar binnen stapte had ze blozend naar hem geknikt, haar schoonmaakspullen bij elkaar geraapt en gehaast het vertrek verlaten, precies zoals van haar verwacht werd. Wessel bleef achter, met bonzend hart, onhandig gehurkt achter het gordijn.

Een hele tijd later zat Wessel nog steeds opgevouwen achter het gordijn. Hoe langer hij er zat, hoe moeilijker het werd om tevoorschijn te komen. Vaders ganzenveer bleef maar krassen op het papier. De nazomerzon scheen warm op Wessel neer. Het lukte hem niet een geeuw te onderdrukken, zijn hoofd werd zwaar. Zijn been sliep, maar hij durfde niet te bewegen. Dromerig dacht hij aan Lykke, de zangerige klank van haar stem, haar handen, haar…

Uiteindelijk dommelde hij weg.

Het volgende moment rolde hij voorover de kamer in en trok het gordijn met roe en al met zich mee. Het duurde even voor hij weer wist waar hij was. Lang genoeg voor zijn vader om op te springen, naar hem toe te lopen en het gordijn met een ruk van hem af te trekken.

‘Wat denk jij in vredesnaam dat je aan het doen bent?’
‘Ik… eh, ik…’
‘Nou?’ Vader Kroonsz trok zijn zoon aan zijn arm overeind. ‘Ik… was nieuwsgierig, vader… naar uw onderzoek, naar…’

‘Onzin. Je liep te vozen met die meid. Ik ben niet gék. Ik vroeg me al af waarom ze zo rood zag als een kreeft toen ik hier binnenkwam. Zo opwindend is stof afnemen ook weer niet.’

‘Maar vader…’

‘Niks “maar vader”. Kalf!’ Kroonsz liep terug naar zijn bureau. ‘Het is mijn eigen schuld,’ ging hij verder. ‘Iedere jongen van jouw leeftijd is aan het werk, maar ik laat jou flierefluiten… Je rotzooit maar wat aan op die school, ik heb al te vaak bij de rector binnen gezeten… Je had verdomme al op de universiteit moeten zitten! En ik? Ik laat je betijen… Ik lijk wel gek!’ Hij draaide zich om en nam Wessel uitgebreid in zich op.

Wessel zag dat zijn woede al begon te zakken. Het lukte zijn vader zelden om lang boos op hem te blijven.

‘Je moeder vindt dat ik je te vrij laat,’ ging vader Kroonsz verder. ‘Dat weet je. Maar…’ Hij zuchtte en keek naar de ravage op de vloer. ‘Weet je… ik geef je nog één kans. Vanaf nu gedraag je je. Als een mán. Trouw aan je stand. Blijf uit de buurt bij die meid. Dát allereerst, ja? Het is maar een meid, zomaar een meid! Goed om te stoffen en te boenen en verder weet ze niets en kan ze niets! Hoor je me? Niets! Besteed je tijd liever aan school… En zo niet, dan is het uit met de pret. Ja?’

Wessel knikte. ‘Ja vader,’ zei hij onderdanig.

Zijn vader wuifde zijn woorden kregelig weg. ‘Donder toch op met je “ja vader”! Je weet dat ik niet van geslijm hou. Het is dat ik je nu nog niet gebruiken kan…’ Zacharias’ stem werd zachter, zijn blik dwaalde af. ‘Ik ben iets op het spoor, iets geweldigs, iets…’ Hij begon wild met zijn armen te zwaaien. ‘Nu niet, ik vertel je er later over… Het is allemaal zo krankzinnig, zo onvoorstelbaar… zo…’ Hoofdschuddend ging hij weer aan zijn bureau zitten. Hij boog zich over de brief die hij aan het schrijven was en doopte zijn ganzenveer in de inkt.

Wessel haalde heel voorzichtig opgelucht adem. Daar was hij goed vanaf gekomen. Al zijn vrienden uit de buurt waren al jaren in de leer bij hun vader of in een werkplaats van vrienden of familie. Hij ging als enige nóg een jaar naar de Latijnse school, ter voorbereiding op de universiteit, en hield een hoop tijd over om zijn eigen gang te gaan.

‘Eh…’ probeerde hij. ‘Kan ik nu gaan, vader?’

Zacharias knikte, zonder op te kijken van zijn brief. Wessel liep zo stil mogelijk naar de deur.

‘O ja!’ riep zijn vader hem achterna. ‘Roep Lykke om die rommel op te ruimen. Dan kan ik ook haar meteen een en ander duidelijk maken. Nog één zo’n akkefietje en ze vliegt eruit.’

‘Ja, vader.’
‘Jij laat haar vanaf nu met rust. Begrepen?’
Wessel knikte.
‘Opgedonderd nu!’
Wessel draaide zich om en wilde de kamer uit lopen.
‘Of nee,’ klonk het achter hem. ‘Nog één ding… over mijn gesprek met Van Lamsweerde dat jij zo vakkundig hebt afgeluisterd.’

‘Ik wilde niet spioneren vader! Ik…’

‘Hou je mond! Daar gaat het niet om. Wat ik wil zeggen… Je moet je door die oude man niet bang laten maken. Hij denkt nu eenmaal vanuit de Kerk, hij staat niet open voor de nieuwe tijd en de nieuwe wetenschap.’

‘Maar dat gevaar waar hij het over had?’

‘Onzin! Kennis is nooit gevaarlijk. Níét weten, dát is gevaarlijk. De Kerk… die vreselijke Kerk wil mensen dom houden. Achterlijk! Zelfs ten koste van de waarheid… omdat ze bang is haar macht kwijt te raken…’

Wessel kromp ineen bij die oneerbiedige woorden en keek de gang in om te zien of de voordeur niet per ongeluk openstond.

‘Je moet niet bang zijn, jongen. Leven en dood leren begrijpen, dat is iets om trots op te zijn.’ Met een ruk wendde vader Kroonsz zich weer af. ‘Wegwezen nu!’