Poëzie

In 2025 verscheen mijn eerste dichtbundel

 

 

Ik schreef al meer dan vijfentwintig jaar gedichten, maar het was er nooit van gekomen die te bundelen en er een boek van te maken.  
Meer dan 120 gedichten lagen in een hoekje van mijn laptop te verstoffen, tot ik ze doorstuurde naar Lemniscaat. Jesse, mijn uitgever, was heel enthousiast en vond dat we er wel meerdere bundels uit zouden kunnen samenstellen. 

De zee is bijna alles, vol gedichten over zee, strand, duinen, meeuwen en aanverwante zilte zaken, werd de eerste. Dat thema is misschien niet zo gek, als je bedenkt dat ook in veel van mijn verhalen de zee een grote rol speelt.

En met de illustraties van Jeska Verstegen erbij werd het een prachtig boek.

Maar ik heb dus nog veel meer gedichten geschreven… én, omdat er nu een boek was kreeg ik heel veel zin om er nog veel meer te schrijven. Van alles. Niet speciaal voor kinderen of volwassenen.

Eind 2026 verschijnt een bundel vol met beestengedichten! Werktitel: Het bestiarium. Hopelijk wil Jeska er weer illustraties bij maken.

 

Hieronder een paar gedichten uit die grote verzameling:

Een boom te zijn

Je armen takken, vingers twijgen,
romp en benen trotse stam
van stevig en standvastig hout.
Het lijkt soms zo verleidelijk,
om verstild, geleidelijk, vertakt,
geworteld te gaan staan. 

Je huid niet langer aaibaar zacht,
maar sterke, ruwe, rauwe, bast.
Je eens zo wilde warme bloed
verstild tot koele stroom van sap.
Je zien en horen, smaak en tast
verblind tot wuivend blad. 

Je hoofd een huis
vol vogelnesten. Je gedachten
mieren, slakken, spint en luis:
kruipers, waar je ooit de hemel
droomde. Een spin bouwt webben,
geen verlangens, enkel ruis. 

Je pijn zet je in pitten om,
je hout vol blinde ogen,
littekens, maar onbewogen,
en je huilt niet langer tranen,
hooguit druppels ochtenddauw.
Geen verdriet meer, spijt of schamen. 

Tot slot je voeten die niet langer
dansen, lopen, dwalen, rennen,
zou je daaraan kunnen wennen,
diep geworteld en voorgoed
gebonden aan de oude aarde,
met stilstand als je hoogste waarde?

 

Leg je erbij neer

Daar lag je dan aan ieder oog
onttrokken door het hoge gras,
alleen onder de zon mijmerend
omringd door al dat zomerleven,
als een loom gegeven, even
werkelijk als de koele aarde
waarop je rustte alsof
die daarvoor geschapen was. 

Hommels rommelden
en darden rondom je,
zwalkten zwaar van bloem naar bloem,
donzig, dronken van de nectar,
en jij lag daar maar
en keek omhoog naar
alle ijle witte vegen en het al
even ijle blauw waar- 

achter ze zeiden dat
het zwart van het heelal
op ons wacht, waarachter dan weer –
maar ach, je verbazing vruchteloos,
al wil je nog zo graag begrijpen:
de in zichzelf gekeerde kever,
de hoge halmen zwaar van zaad,
het maanlicht en alles dus daarachter. 

Leg je erbij neer dat dit het is.
Het is, het is.
En meer dan dat kun je
er in je mensenleven
toch niet van maken.
Het is meer dan genoeg.
Leg je erbij neer
in het zoete, hoge gras.

 

Ze zeggen wel

Ze zeggen wel
dat alles vanzelf gaat.
De wind, het water,
jij op je fiets.
Dat het niet anders kan
dan zo.
De vogels, de regen,
het geelbruine riet.
Dat het is wat het is.
Ik hier en jij 
daar in de wind.
Verder niets.

Ze zeggen wel
dat alles toeval is.
De auto’s, de wegen,
en waar we aan denken.
Dat het
allemaal anders,
beter, mooier
had kunnen zijn,
als we maar,
en dan misschien,
wie weet, dat dan.
Ik niet. 

 

Het taalt in mij

Het taalt in mij,
het woordt en zint,
ik voel dat er iets leuks begint,
een kakofonisch leuterfeest!
De juichkreet van het talig beest,
dat murmelt, mompelt, fluistert, zingt,
en weet dat er iets nieuws ontspringt,
aan al die rare kronkelklanken,
uit zijn stembanden en mond. 

Ik leg nieuwe dwarsverbanden,
die ideeën laten landen,
in het hoofd van wie dit leest.
Hij weet: er is een gek geweest
die woorden taalt, in tongen spreekt,
waarbij het balken flets verbleekt,
van de ezel,
en het kraaien van de haan,
zelfs het zingen van de maan,
want hij liet de woorden wuiven
op het golven van zijn geest.
Dit is
de onzinvolle vrijheid
van het talig leuterbeest.

 

 

Vanuit de verte

Ik zag hem gaan vanuit de verte.
Het was mijn vader op zijn fiets.
Ik riep hem, zwaaide, uit de verte,
Maar hij zag en hoorde niets. 

Ik keek hem na en wat zo gek was,
toen ik hem zag gaan die keer:
even was hij voor mij een vreemde,
zomaar iemand, een meneer. 

Voor ik het wist was hij verdwenen,
zich van geen zoon of kind bewust,
trappend met zijn lange benen,
weet ik waarheen in alle rust. 

Het was de onbekende man,
die ik toen in mijn vader zag,
die mij vanuit de verte leerde
hoeveel je van iemand houden kan.

 

 

Poëziel en -zaligheid

Poëzeergeëerde lezer,

Poëzoo is vol met dieren,
Poëzuidwaarts kun je gaan,
Poëzink in warme zeeën
(zoveel trema’s zoveel eën!)
Poëzandstrand spoel je aan.

Poëzoek je naar de afgrond,
Poëzinderend van taal,
Poëziek van diepe smarten?
Maak poëziedend, wild kabaal! 

Poëzanik echter nooit
en poëzever liever niet.
Poëzeuren is verboden.
Poëzonder, of ik schiet! 

Maar poëzichtig, (doe voorzichtig)
Poëzacht, wees maar subtiel,
Poëzoen je allerliefste
Op haar mooie poëziel. 

Poëzamel dus je woorden,
Poëzuiver, fijn en licht.
Poëzing van verre oorden
Je poëzinderend gedicht 

Poëzie je nu zelf?