De genietmachine

Uit: De Markies van Scharrebak

Ik ben de koning der garnalen en alleenheerser over het rijk van de zeeanemonen. Overal om me heen wriemelen de glazige lichaampjes door het lauwe water van de poel tussen de rotsen. Hun voelsprieten kietelen mijn huid. Als ik beweeg schieten ze met tientallen tegelijk weg onder de rotsen of in de schaduwen. Ik aai de vangarmen van de grote donkerrode en groene anemonen. Kleverig proberen ze mijn vingers naar binnen te trekken. Wanneer ik hun zakachtige lichamen aanraak spannen ze zich en trekken samen. De armen worden naar binnen getrokken. Als vreemdgekleurde borsten wachten ze stil af wat er verder zal gebeuren en hopen dat het gevaar zal wijken. Voorzichtig ontspannen ze even later en waaieren weer uit.

         De zon heeft mijn haar gedroogd. Het is stug en plakkerig van het zout. Mijn hoofd rust op een met bruinwier overdekte rots. Half drijvend rust ik op het zand van de bodem van de poel. Al uren lig ik hier te luisteren naar het gedaver van de branding. De vloed komt op. Ik luister naar het dichterbijkomen van de golven. Straks zullen de eerste golven breken op de rotsen die mijn kleine koninkrijk omringen. Koude spetters zullen me opschrikken. Daarna zullen de schuimende golven zich mengen met het warme stille water en ik zal verjaagd worden naar het vasteland.­

 

Als kind al ging ik op jacht naar de zeekakkelobbes die volgens mijn vader af zou komen op de paardebloem die hij voor mij aan een touwtje bond. Het touwtje bond hij aan een stok.

         Ik herinner me een helle middagzon en de spanning van een onbegrepen spel. Ik sta in het hete duinzand en kijk hoe mijn vader de zojuist tussen het helmgras gevonden paardebloem plukt. Wit sap welt op uit de steel. Ik weet hoe bitter dat sap is.

         Het begon met een eindje gerafeld touw dat ik vond vlakbij de plaats waar onze handdoeken lagen. Ik speel dat ik ermee aan het vissen ben zoals de mannen die op de pier zitten. Dan zegt mijn vader dat we kunnen proberen een zeekakkelobbes te vangen. Als we een paardebloem kunnen vinden en de woorden van de spreuk op de juiste manier uitspreken is er kans dat hij uit de diepten van de zee zal opduiken.

         ‘De dieren die in zee leven zien nooit bloemen. Ze kennen enkel de vlezige tentakels van de anemonen en de kalkwaaiers van het koraal. En als je dieper onder water komt worden de kleuren steeds troebeler. Daarom kijken vissen en krabben vaak zo droevig. Ze missen de zon en het blauw van de lucht en het rood en geel en wit van de bloemen.’

         ‘Maar wie is dan de zeekakkelobbes,’ onderbreek ik mijn vader ongeduldig. Ergens weet ik dat hij alles ter plekke verzint, maar het geeft niet.

         ‘Die woont op de bodem van de zee waar het altijd donker is. Hij is de droevigste van alle dieren. Waar hij woont is het stil en koud en het water stroomt er langzaam en zwaar. Kleur is voor hem het kostbaarste wat er is – vooral geel, de kleur van de zon. Hij komt naar boven als hij je hoort roepen. Maar alleen de goede klanken klinken door tot op de bodem van de zee. Het is niet zo belangrijk met welke woorden je hem roept, als je maar de juiste klank in je stem hebt. In ruil voor de bloem zal hij een wens voor je vervullen.’

         Ik ren de duinen in, op zoek naar een paardebloem. Rustig volgt mijn vader mij door het scherpe helmgras naar boven.

         Ik stel me de zeekakkelobbes voor als een wat slome inktvis, een beetje zoals de katvissen die je wel eens halfvergaan op de vloedlijn aantreft – platte wat glibberige weekdieren met korte tentakels aan de voorkant van hun kop­. Een beetje griezelig. De kakkelobbes zou echter vriendelijk zijn, dat lag al in de klank van zijn naam besloten…

De genietmachine was mijn debuut: een verhalenbundel die in 1999 verscheen bij Uitgeverij SUN.

 

Hans Warren schreef in de PZC: ‘Op zijn best is hij misschien bij het ophalen van zijn jeugdherinneringen. Dat is een nogal sleets en daardoor hachelijk genre. Maar hij weet te laveren tussen al te zwijmelende nostalgie én al te grote afstandelijkheid. Zijn herinneringen aan Vlissingen zijn niet te bitter, maar ook niet te zoet. Hij voelt, schrijft hij ergens “de liefde en de vijandigheid” van de kleine stad met de grootse zeeboulevard. Andersom is er sprake van even gemengde gevoelens. Hij schildert Vlissingen af als een “toevallig provinciestadje aan het einde van de wereld”, maar tegelijk is het voor hem ook de navel van de aarde. Hij en zijn vrienden hopen zo snel mogelijk te verdwijnen: “We willen er alleen maar weg, voor het van de rand af stort, de diepte in, voor het te laat is, voor we wegrotten van verveling.” Maar Vlissingen, heel de omgeving, blijft ook trekken. In een passage uit ‘Armagideon time’ (waarin een schoolvriend doordat hij voor zijn eindexamen zakt nog een jaar in de stad moet blijven en dan zelfmoord pleegt) schrijft hij bijna lyrisch over een zonsopgang die hij bekijkt vanaf de top van een Walchers duin: “Dan draai ik me om, ga zitten in het vochtige zand en kijk uit over mijn eiland.”’

 

Rob van Erkelens schreef in de Groene Amsterdammer: ‘Nu zeggen achterplatten heel vaak dat ‘verwondering, en vervreemding, verbazing en melancholiek verlangen’ elkaar afwisselen in een boek, maar in het geval van De genietmachine is het geen grootspraak. Verbeelding wordt werkelijkheid, de realiteit blijkt nu en dan bedrieglijk. De lezer gaat met de verteller mee door een wereld die eerst een sprookje lijkt, en dan juist weer uiterst alledaags. Veel sfeer, en veel sfeerbeschrijvingen. Het licht krijgt veel aandacht, de blik, het kijken.’